Leestest

De mens oriënteert zich stuntelig

LEESTEST

Klik op Start en begin de tekst met uw normale leessnelheid te lezen.

Klik op Stop aan het einde van de tekst en uw leessnelheid wordt weergegeven.

De mens oriënteert zich stuntelig

Waardoor rijden sommige mensen altijd verkeerd en gaan andere probleemloos op hun doel af? Waardoor verdwalen altijd weer dezelfde wandelaars in bergen, bossen en zelfs steden? En waardoor vergeten sommigen in welke straat zij hun auto hebben geparkeerd of vinden zij hem niet meer terug in parkeergarages? Het antwoord ligt in ons oriëntatievermogen. Dat mysterieuze vermogen stelt zowel mens als dier in staat op de een of andere manier een vooraf bepaald doel te bereiken.

Mens en dier zijn overigens niet aan elkaar gewaagd. Het ziet ernaar uit dat van alle levende wezens de mens over de minste oriëntatievaardigheden beschikt. De dieren geven ons ruim het nakijken. Geleid door een geheimzinnig instinct leggen vissen, vogels en landdieren ieder jaar weer duizenden kilometers af naar verre en vertrouwde plaatsen waar zij gaan overwinteren, paren en jongen krijgen. De mens daarentegen krijgt het voor elkaar ondanks een uitgebreide bewegwijzering, allerlei wegenkaarten, verkeersinformatie en technische hulpmiddelen toch nog verkeert te rijden en te verdwalen. Is dat een bewijs voor de aftakeling van de menselijke soort?

''Neen'', beweren wetenschappers, ''de meeste mensen hebben nooit geleerd hun weg te zoeken en zich op de natuur te oriënteren''. Want eens was het anders en sommige volkeren hebben nu nog in onze ogen opmerkelijke manieren om zich te oriënteren. De Toearegs bijvoorbeeld vinden hun weg in de Sahara aan de hand van hemellichamen en herkenningspunten die verstedelijkte westerlingen totaal ontgaan: de vorm van een duin, sporen in het zand, skeletten of uitwerpselen van dieren. De bewoners van de eilandengroep Micronesië leggen in hun bootjes dikwijls honderden kilometers af en richten zich uitsluitend op de stand van zon en sterren, op de kleur en de smaak van het zeewater, op vissenscholen, op de nachtelijke fluorescentie van het water of op de vliegroutes van vogels.

En zo komen we uit bij enkele belangrijke elementen die een rol spelen bij het oriëntatievermogen: ervaring, waarneming, aandacht- en geheugentraining. Vooral bij die laatste twee loopt het bij de moderne mens vaak fout. Immers, steeds meer hulpmiddelen nemen de taak van ons natuurlijk oriënteringsvermogen over en onze ruimtelijke beleving raakt daardoor afgestompt.

Nadat vooral biologen vanaf de jaren vijftig systematisch uitgebreide proeven op het oriënteringsmechanisme van dieren zijn gaan verrichten, zijn ook ander wetenschappers zich gaan afvragen hoe dat bij de mens functioneert. Wat hebben dieren, wat mensen niet hebben? ''Heel veel", zegt Monique Soffié, professor aan de Katholieke Universiteit van Leuven, ''want mens en dier verschillen grondig van elkaar''. Zij verricht al jaren onderzoek naar wat zij 'ruimtelijke cognitie' noemt. Dat is het vermogen van mens en dier om zich bewust en met een bepaalde mate van intelligentie in hun ruimtelijke omgeving te oriënteren.

"Het oriëntatievermogen ontstaat bij dieren uit de drang tot overleven. Die doet hen jaarlijks wegtrekken naar oorden waar zij voldoende voedsel en een leefbaar klimaat vinden om hun voortplanting en dus hun overleven veilig te stellen. Bij de eerste mensen was dat in het begin niet anders. Volgens de huidige inzichten van de wetenschap lijkt het waarschijnlijk dat de oermens vanuit Afrika over de hele wereld is uitgezwermd, op zoek naar leefbare gebieden. Ook die eerste mensachtigen hebben ongetwijfeld bepaalde vormen van oriëntering gebruikt'', aldus Soffié. ''Wat wij nu weten is dat oriëntering bij de mens een zeer ingewikkeld gebeuren is. De nieuwste inzichten, die ons door steeds meer geperfectioneerde scannertechnieken en de hersenchirurgie worden geleverd, wijzen op een trapsgewijs proces waarin zintuigen en hersenen een rol spelen''.

Met onze ogen, oren en onze reukzin verzamelen wij gegevens, die vervolgens worden behandeld en opgeslagen in de hersenen. Door deze zintuiglijke waarneming zijn we in staat voorwerpen en signalen te herkennen en krijgen we een antwoord op de vraag 'wat is dat?'. De hersenen ontleden de waarnemingen en plaatsen ze in de ruimtelijke omgeving waarin de voorwerpen en de persoon zich bevinden. Dat geeft ons een antwoord op de vraag 'waar is het?'.

Je juist en snel kunnen oriënteren veronderstelt dus een perfecte wisselwerking van zintuigen en hersenen. Wanneer dat misloopt, dan is ofwel onze waarneming gebrekkig ofwel de ruimtelijke 'vertaling' van de waarneming onvoldoende. Franse wetenschappers onderscheiden drie belangrijke fasen in ons waarnemings - en oriëntatievermogen. Er is eerst herkenning van de omgeving, vervolgens plaatsbepaling en opneming in het ruimtelijke geheugen en ten slotte planning en het uitwerken van een reisweg aan de hand van beide vorige functies.

Wanneer wij verdwalen bij het wandelen of onze auto niet meer kunnen terugvinden, dan zijn wij dus slordig geweest in een of meer van deze drie fase. Wij hebben plaatsen, signalen, personen of voorwerpen niet bewust waargenomen en geen plaats gegeven in de ruimte. Want in tegenstelling tot de dieren, die spontaan doen, is oriëntering bij de mens in de meeste gevallen geen automatisme meer. Naast lichamelijke factoren spelen ook de opvoeding en het culturele milieu waarin iemand opgroeit een belangrijke rol in de ontwikkeling van het oriënteringsvermogen. Mensen moeten dus hun oriënteringsvermogen vooraf ook trainen.

door: Johan Lamoral
uit: Dagblad Rivierenland
U leest met 0 woorden per minuut (wpm)

Beantwoord nu de vragen om te zien wat u heeft begrepen van deze tekst.

 

Vragen over de leestest

Om de vraag te beantwoorden klikt u op het betreffende rondje.

Vraag. 1. Waardoor oriënteert de mens zich stuntelig:
A doordat sommige mensen altijd verkeerd rijden
B doordat sommige mensen niet opletten waar ze zich bevinden
C door ons oriëntatievermogen
 

Vraag. 2. Wat beweren wetenschappers?:
A dat de mens ondanks wegenkaarten toch nog verkeerd rijdt
B mensen niet hebben geleerd zich op de natuur te oriënteren
C de Toearegs vliegroutes van vogels gebruiken voor hun oriëntatie
 

Vraag. 3. Wat zijn enkele elementen die een rol spelen bij ons oriëntatievermogen?:
A ervaring, waarneming, aandacht- en geheugentraining
B waarneming, aandacht, zintuig- en geheugentraining
C ervaring, waarneming, concentratie- en geheugentraining
 

Vraag. 4. Aan welke universiteit is de genoemde professor verbonden?:
A de Universiteit van Leiden
B de Universiteit van Keulen
C de Universiteit van Leuven
 

Vraag. 5. Wat hadden de eerste mensen en dieren met elkaar gemeen?:
A trokken jaarlijks naar oorden met voldoende voedsel
B zijn vanuit Afrika over de hele wereld uitgezwermd
C ruimtelijke cognitie
 

Vraag. 6. Geperfectioneerde scannertechnieken en hersenchirurgie tonen aan?:
A dat de ogen en hersenen een belangrijke rol spelen
B dat de zintuigen en hersenen een belangrijke rol spelen
C dat de zenuwen en hersenen een belangrijke rol spelen
 

Vraag. 7. Met de gegevens van onze ogen, oren en reukzin kunnen we een antwoord krijgen op de vraag?:
A wat is dat
B waarom is dat
C waar is dat
 

Vraag. 8. Welke 3 fasen in ons waarnemingsvermogen onderscheiden Franse wetenschappers?:
A plaatsbepaling, opneming, uitwerking
B herkenning, plaatsbepaling, planning
C herkenning, planning, uitwerking
 

Vraag. 9. Wat is bij dieren een automatisme?:
A drinken
B eten
C geen van deze antwoorden
 

Vraag. 10. Wat speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van ons oriënteringsvermogen?:
A opvoeding, cultuur
B ervaring, leren
C training, waarneming
 

Wat heeft u begrepen van de tekst?

Beantwoord eerst alle vragen

Ga door naar de resultaten van deze leestest